home

 
Navigatie

 


Bosch 1923
Bosch 1923

 

Ontwikkeling en consolidatie

De Duitse fabrikant Bosch introduceerde in 1923 het eerste ”busmodel” voor de dynamo. Alle inwendige onderdelen van de lichtmachine werden in dit ontwerp omsloten door een koker. De kwetsbaarheid van de dynamo werd hiermee aanmerkelijk verminderd. Ook de inwendige constructie bereikte met dit ontwerp zijn nog steeds bestaande basisvorm (een magneet met ronde hoeven, waarbinnen een spoel ronddraait, dan wel vice versa).

     Berko volgde in 1928 eveneens met een busmodel, terwijl ook andere Duitse fabrikanten met soortgelijke constructies kwamen (Balaco, Lohmann, Gloria, Häckel etc.).

 

Berko-verlichting, 1928
Berko-verlichting, 1928

 

De Zwitserse fabrikant Sport A.G. kwam rond 1924 met een fraai ontwerp, dat onder de merknamen Nordlicht en Phoebus werd verkocht. In 1932 werd dit model vervolmaakt tot een 8-polige dynamo, die een vermogen van 3 Watt leverde (voorheen was 1,2 - 1,8 Watt gebruikelijk).

 

verlichtingsset van Sport AG, rond 1924
verlichtingsset van Sport AG, rond 1924

 

Lucas, eind jaren twintig VT kwam in 1932 met de ‘dikbuikige’, 12-polige dynamo op de markt. Zoals alle Zwitserse merken, munt ook dit model uit in precisie en elegantie. Eind jaren ’20 komt ook de Engelse fabrikant Lucas met een eigen ontwerp.

 

Lucas, eind jaren twintig

 

Vele andere merken, waaronder ook het vaderlandse Philips, zullen in deze jaren eigen modellen op de markt brengen, steeds als variaties van het busmodel. Medio jaren ’30 is de elektrische verlichting daarmee in feite uitontwikkeld en beperken de veranderingen zich tot verbetering van de toegepaste materialen en verdere verkleining van de omvang. Eén afwijkend model, de door Sturmey-Archer vanaf 1936 geproduceerde "Dynohub" (naafdynamo), zal nog een beperkt marktaandeel veroveren, maar wordt 1984 uit de productie genomen.

 

Toepassing in Nederland

In Nederland is de elektrische rijwielverlichting zeker niet overhaast toegepast. Voor de Eerste Wereldoorlog was carbidverlichting gangbaar en waren zowel gebruikers als rijwielhandel daarop ingesteld. Pas omstreeks 1920 begint het elektrisch licht zijn opmars, waarbij het tot ca. 1940 zou duren voordat het carbidlicht volledig zou zijn verdrongen.

     Zoals aangegeven waren de eerste fabrikanten vooral uit Duitsland en Zwitserland afkomstig en zou pas in de jaren ’30 een bescheiden produktie van eigen bodem op gang komen (Philips, Leko, Unigro, enkele kleinere merken). Diverse fietsfabrikanten lieten verlichting onder eigen naam maken in de Duitse en Zwitserse fabrieken (Burgers ENR, Simplex en Union door Balaco, Fongers door Kestein, Gruno door Melas). Ook verschenen er ge´mporteerde merkdynamo’s met eigen namen (Arko, Impex, Frico etc.) voor de binnenlandse markt.

     Menig verzamelaar zal daardoor dezelfde dynamo of lamp onder verschillende namen hebben aangetroffen. Hetzelfde geldt voor de achterlichten, waarbij als bijzonderheid valt te melden dat deze een rijkskeurmerk behoefden, nadat het achterlicht in 1938 verplicht werd gesteld (het voorlicht was reeds sinds 1906 verplicht, bij rijden in het donker). Opmerkelijk is overigens dat verlichting pas omstreeks 1960 standaard op nieuwe fietsen wordt gemonteerd; tot dan moest dit apart worden aangeschaft.

     Voor de fietsliefhebber is elektrische verlichting een dankbaar verzamelobject. Er is relatief veel bewaard gebleven (het gaat om een duurzaam artikel), terwijl een collectie weinig ruimte in beslag neemt. De echte verzamelaar kan enkele honderden (Europese) modellen tot zijn domein rekenen. De prijzen voor oude verlichting zijn redelijk te noemen (van ca. NLG 10 - NLG 40 voor een dynamo of koplamp); alleen voor de echt zeldzame modellen of oude sets in originele verpakking moeten stevige prijzen worden neergeteld.

     Wie enigszins handig is krijgt ook de oudste verlichting weer ‘aan de praat’; wel is het soms nodig de oude magneten opnieuw te laten magnetiseren. Moeilijk is het soms om oude bedrading en specifieke gloeilampjes te bemachtigen. Ook originele documentatie ligt niet voor het oprapen. Wie echt ge´nteresseerd is moet het standaardwerk ‘De elektrische verlichting van het rijwiel in woord en beeld’ (L. Rubens, 1933) in zijn bezit zien te krijgen. Hopelijk heeft deze bijdrage enig licht op dit interessante deel van de fietsgeschiedenis doen schijnen.

Jos Rietveld
oktober 1999

 

Lucifer
Foto: Christian Mayrhofer

 

Copyright by Jos Rietveld, ę 1999 ...
All rights reserved.

terug

Last update: 08-10-1999