home

Navigatie


Gegevensverzameling over fietsen

Sinds begin 1995 ben ik met het verzamelen van gegevens over oude fietsen bezig. De daaruit voortgekomen fietsendatabank omvat inmiddels (oktober 1999) 3.000 fietsen. 87 % daarvan zijn van Nederlandse afkomst, 7 % zijn Duits, 4 % Engels en 2 % uit andere landen. De opbouw van dit bestand naar tijd ziet u in de onderstaande grafiek.

spreiding fietsen naar bouwjaar

Spreiding van de geregistreerde fietsen naar bouwjaar

Voor de periode tot en met de jaren vijftig zal deze grafiek overigens de daadwerkelijke verhoudingen "op straat" redelijk goed weergeven.

     Het overgrote gedeelte van de fietsen in de databank zijn dus Nederlandse fietsen uit de jaren vijftig en zestig. Van deze categorie is ongeveer één op de 5.000 ooit geproduceerde fietsen in de databank terug te vinden.

 

Dateren en identificeren
 

In eerste instantie gaat het om het dateren van fietsen aan de hand van vergelijkingen. Naast het opstellen van lijsten van fietsen die b.v. nog van een originele achternaaf met jaartal voorzien zijn, kan soms ook aan de hand van onderdelen het bouwjaar ongeveer worden vastgesteld. Bijvoorbeeld komen Koets A achterlichten vrijwel uitsluitend vóór 1955 bij Gazelle, Juncker, Fongers en Locomotief voor.

     Voor Gazelle-fietsen is er een lijst met framenummers en bijhorende jaartallen die in 1950 eindigt. De grafiek op deze pagina is het resultaat van 100 Gazelles uit de daaropvolgende periode. De formule kan gebruikt worden om het jaartal te berekenen dat bij een bepaald framenummer hoort. De berekende waarde klopt meestal op een jaar nauwkeurig.

     De waarden in de grafiek vertegenwoordigen het fabrikagejaar van de gemonteerde naaf. Het frame zal dan een aantal maanden later gebouwd zijn. In de formule is dit al gecorrigeerd. Een berekend jaartal van b.v. 1966,0 moet ge´nterpreteerd worden als "midden in 1966", dus niet als januari 1966 maar als juni/juli 1966.

datering Gazelle

Datering Gazelle vanaf 1950 t/m 1973


Als van een oude fiets het balhoofdplaatje ontbreekt en geen merk te achterhalen is, kunnen niet of moeilijk te veranderen kenmerken een uitkomst bieden. Wat voor framenummer, op welke plaats, welk soort trapas, wat voor balhoofdlugs, noem maar op. Door de gegevens met behulp van een krachtig database-programma op deze kenmerken te sorteren en te selecteren, is het dan soms mogelijk het goede merk te vinden.


Algemene informatie over de rijwielindustrie

De gegevensverzameling biedt informatie over hoe hoog de productie van bepaalde merken ongeveer was, maar soms ook over de vraag wie er wát voor fietsen verkocht hebben.

     In de tijd van de fusie tussen Locomotief en Simplex (1952 - 1965) hebben deze merken voor 40 % herenfietsen verkocht en voor 60 % damesfietsen. Bij Gazelle is dit in deze periode hetzelfde. Maar terwijl bij Locomotief en Simplex slechts elke vierde fiets een toerfiets was (wielmaat 28 x 1 1/2), verkocht Gazelle dit type voor bijna 40 %. Ook zitten er bij Locomotief en Simplex opvallend veel goedkope uitvoeringen met alleen een freewheel en knijpremmen tussen. Deze cijfers kloppen natuurlijk alleen maar, als je er van uitgaat dat de samenstelling van nu nog rondrijdende fietsen een getrouwe afspiegeling is van wat er toen verkocht werd.

     Maar er kan ook nog wat algemenere informatie uit de gegevensverzameling worden gehaald. In 1948 kwamen aluminium velgen voor toerfietsen op de markt. (Onder wielrenners werden deze al in de jaren '30 gebruikt.) Vanaf 1949 zijn deze - meestal door Lepper gefabriceerde - velgen op bijna alle soorten fietsen van de meeste Nederlandse fabrikanten te vinden. Na ongeveer 1964 is dit verschijnsel weer voorbij.

     Een ander voorbeeld zijn de typisch Nederlandse 45 mm trapassen. Ook deze raakten aan het eind van de jaren '50 uit de mode. Phoenix en Germaan stopten er toen mee, Juncker al zeker tien jaar eerder, terwijl Gazelle, Union (43 mm) en Veeno deze trapassen nog enkele jaren langer gebruikten. Precies tien jaar later gebeurde hetzelfde met de D-profiel achtervork van toerfietsen.

     Een interessant onderwerp is ook de framegeometrie van toerfietsen. Bijvoorbeeld was de meest voorkomende lengte van de balhoofdbuis van een omafiets vroeger 270 - 280 mm. Deze zou je vanwege het comfortable rijgedrag de "echte"omafietsen kunnen noemen. Fongers heeft zeker sinds de jaren '20 slechts 243 mm gehanteerd, misschien wel vanaf het begin. Rond 1950 gingen Juncker en Union hun omafietsen "inkorten", Phoenix al iets eerder, Gazelle volgde in twee stappen in 1956 en 1959. Er zijn ook modellen met een balhoofdbuis tot ca. 300 mm gemaakt.


Lastige merken

Van kleine merken zal er niet meer genoeg "rijdende informatie" overgebleven zijn om op de hier besproken manier betrouwbare lijsten met framenummers voor de datering samen te kunnen stellen. (Voor het identificeren van fietsen zijn gegevens hierover echter vaak wel te gebruiken.) Maar ook de bekendere merken kunnen erg lastig zijn, vooral wanneer het gebruikte nummersysteem ingewikkeld in elkaar zit.

     Juncker, Locomotief en Simplex, die later bij elkaar kwamen, zijn hier voorbeelden van. Ze gebruikten tot eind jaren '60 allemaal meer dan een serie, en meestal zit er ook nog een code in. Door zoveel mogelijk framenummers van deze merken te verzamelen en de bijhorende kenmerken te vergelijken, is er nog het een en ander te achterhalen.


Copyright by Herbert Kuner, (c) 1999
All rights reserved.

terug

Last update: 22-11-1999