home

Navigatie

 

Maatvoering
 

Voorvork

De balhoofdlengte van een omafiets (vanaf circa jaren dertig) komt overeen met die van een heren-kruisframe (balhoofdbuis = 250 mm). Daardoor zijn de voorvorken van deze modellen uitwisselbaar.

     De as van een voorwiel-trommelremnaaf van Simplex is niet 8 mm dik maar 9,5 mm (dus even dik als een achteras). Als de voorvork moet worden vervangen kan het dus zijn, dat de opening in de patten van de nieuwe voorvork te smal is.

 

Trapas

De gemonteerde trapas is óf een Thompson-as voor een 38-mm-bracket óf een speciale Simplex Cycloïde groefkogellager-trapas voor een 40-mm-bracket met aan beide kanten in de bracket geschroefde stofkappen. Deze zijn dus niet afstelbaar en moeizaam te demonteren.

     Een versleten Cycloïde trapas kun je beste door een nieuwe groefkogellager-trapas vervangen, of desnoods ook door een 40-mm-Thompson-trapas. Deze moet dan wel voldoende diepe cups hebben, liefst met een hoekige achterkant, omdat het buitenste gedeelte van de bracket een grotere diameter voor de stofkappen heeft (aan elke kant 5 mm diep). Nieuwe Thompson-trapassen hebben helaas over het algemeen cups met een bolle achterkant.

 

Cranks

Tot ca. 1953 hebben damesfietsen een 44-tands kettingwiel en 165 mm cranks. Bij herenfietsen is dit 48-tands en 180 mm.

 

Trommelremmen

Simplex heeft vanaf ca. 1927 tot 1967of 1968 eigen trommelremnaven gemaakt (te herkennen aan de vier dikke klinknagels aan de buitenkant van de trommel). Deze werden met groefkogellagers (voor de Cycloïde-modellen) of met afstelbare cup-en-cone kogellagers gemaakt. In de afstelbare Simplex-trommelremnaven horen altijd kogels van 1/4".

     Een aantal jaren (vanaf 1936 of 1937 en waarschijnlijk niet langer dan  tot de oorlog) waren de trommels dubbelwandig: op de binnentrommel werkt de rem, aan de buitentrommel zit de flens voor de spaken, "zoodat de spaak-spanning en de spaak-reparaties geen invloed kunnen hebben op den remtrommel en dezen niet kunnen vervormen". Deze trommelremnaven zijn zwart gemoffeld en hebben een buitendiameter van 100 mm; bij de latere trommelremnaven, die vaak gedeeltelijk of geheel verchroomd zijn, is dit 96 mm. Oudere trommelremnaven (tot 1936) zijn aan de sikkelvormige hefboom te herkennen, tegenover de rechte hefboom van daarna.

 

Simplex trommelrem

Simplex Cycloïde trommelremnaaf uit 1937
met freewheel en dubbelwandige trommel (no. 2 + 3)

 

Stuur

Het stuur van een Simplex-toerfiets tot en met 1953 heeft een opvallend hoge bocht, wat erg comfortabel rijdt. Helaas komen deze sturen bij de demontage meestal erg moeilijk los. Het lijkt er haast wel op dat bij Simplex de stuurpen voor de montage standaard niet werd ingevet. Lees hier hoe een vastzittend stuur gedemonteerd kan worden.

 

Staande achtervork

Veel Simplex-fietsen van voor 1953 hebben een staande achtervork van extra dikke buis (22 mm in de breedte). Soms zit de dynamo op de staande achtervork gemonteerd. Het verlichtingssnoer loopt daarbij door het achterspatbord, zoals dit ook bij Gazelle het geval was.

 

Moeren

Verschillende moeren op Simplex-fietsen zijn sleutelmaat 14, een op fietsen vrij ongebruikelijke maat. Dit slaat op de asmoeren van trommelremnaven, de stangen-borgmoeren van een Simplex remstangenstuur (met dezelfde schroefdraad als de wielassen) en op de borgmoer van de hefboom bij trommelremnaven.

 

Vragen, op- of aanmerkingen? Stuur deze per e-mail!

 

Copyright by Herbert Kuner, © 1999 ...
All rights reserved.

terug

Last update: 02-05-99